Pleidooi voor een politiek van de vooruitgang

De heruitvinding van de toekomst (deel 2)

Sinds het postmodernisme geloven progressievelingen niet meer in vooruitgang. Toch blijft een emancipatoir project voor de toekomst nog steeds een project van autonomie, vrijheid en democratie. We zijn immers veroordeeld tot de moderniteit.i

Hoe de moderniteit vergeten werd

Moderniteit is als vruchtbare sociale en politieke term verdwenen uit ons vocabularium. Wanneer de term toch wordt gebruikt, wordt hij binnen historische context getrokken. Moderniteit staat dan synoniem met de democratische revoluties in de Verenigde Staten en Frankrijk, de verspreiding van het kapitalisme, industrialisering, imperialisme en kolonialisme en de natiestaat. Filosofisch gezien kan men niet uit onder de drie titanen: Kant, Hegel en Marx. Alle drie interpreteerden ze de geschiedenis als een ontwikkeling in de richting van meer verlichting, rationaliteit en vooruitgang. Marx bleek de grootste impact te hebben van de drie; zijn naam zal eeuwig verbonden zijn aan de Russische Revolutie en het socialistisch regime dat expliciet beroep deed op de marxistische ideologie.

George Grosz en John Heartfield, Dada-merika, 1919 via The Official John Heartfield Exhibition
Grosz en Heartfield, Dada-merika via The John Heartfield Exhibition

De totalitaire ramp van de Sovjet-Unie ontvouwde zich doorheen de 20ste eeuw, en verliep zij aan zij met het radicaal in vraag stellen van de vorm die het filosofische moderniteitsproject tot dan toe had aangenomen. Het klassenreductionisme van Marx was al langer onhoudbaar geworden, maar werd definitief de vuilnisbak in geworpen door de explosie aan identiteitskwesties in de de jaren 1960 en ‘70: de Amerikaanse civil rights movement van Martin Luther King, de tweede feministische golf, de studentenprotesten van 1968, dekolonisatie en de ecologische strijd. De Eerste Wereldoorlog betekende de crisis van het ‘naïeve’ wetenschaps- en vooruitgangsgeloof in Europa, de Tweede Wereldoorlog zijn volledige capitulatie. De naoorlogse kritiek op de moderniteit kreeg een naam, postmoderniteit, en werd het meest kenmerkend geformuleerd door Jean-François Lyotard: postmoderniteit is het ongeloof in de meta-narratieven of Grote Verhalen.

Het failliet van de vooruitgang?

De intellectuele kritiek op het moderniteitsdenken van Kant, Hegel en Marx – zoals eurocentrisme, historisch determinisme en de schijn van wetenschappelijk objectivisme – is terecht en permanent gebleken. Maar in zekere zin is de slinger te ver doorgeslagen – velen zijn vergeten zijn dat wij nog steeds modern zijn. Vooral vanuit progressieve kringen is men moderniteit beginnen associëren met utopisch, voorbijgestreefde ideeën uit een vorige tijdsperiode. Voor hen is moderniteit vooral een historische periode, een tijd wanneer de natuur op naïeve wijze werd vernietigd, utopieën werden verraden en instrumentele rationaliteit koning was.

Politiek gezien vertaalt dit zich naar wat Nick Srnicek en Alex Williams folk politics noemen: een afkeer van functionele differentiatie en de fetisjering van ‘horizontale beslissingsvorming’, ‘directe actie’ en alles wat lokaal is, op vlak van eten, milieu, politiek etc. Folk politics zet zich af tegen complexiteit, technologische ontwikkeling, globalisering, grootschalige planning en emancipatie op grote schaal, termen die allemaal worden geassocieerd met een voorbijgestreefde en naïeve moderniteit. Vooruitgang ligt in the eye of the beholder, en verraadt een naïef optimisme dat bovendien gevaarlijk kan zijn.

De moderniteit eist van ons dat we denken voor onszelf, dat wil zeggen ons niet laten gidsen door dogma’s of voorgekauwde antwoorden.

Moderniteit, echter, beslaat oneindig veel meer dan wat algemeen wordt erkend en hierboven werd uiteengezet. De belangrijkste factor van moderniteit betreft de universele idealen die de moderniteit kenmerken: idealen als autonomie, emancipatie, vrijheid, gelijkheid en democratie werden eindelijk ten volle nagestreefd in Europa. Moderniteit is eerst en vooral de poging van mensen om vat te krijgen op de wereld rondom hen, en deze te sturen in de richting die door haar het meest toepasselijk wordt geacht. Deze gedachte ligt ten grondslag aan Marshall Berman’s karakterisering van de moderniteit in zijn werk All That is Solid Melts into Air:

‘To be modern, I said, is to experience personal and social life as a maelstrom, to find one’s world and oneself in perpetual disintegration and renewal, trouble and anguish, ambiguity and contradiction: to be part of a universe in which all that is solid melts into air. To be a modernist is to make oneself somehow at home in the maelstrom, to make its rythms one’s own, to move within its currents in search of a form of reality, of beauty, of freedom, of justice, that its fervid and perilous flow allows.’1

Volgens Berman is moderniteit een beweging vol interne contradicties en spanningen, waar de mens zich staande probeert te houden doorheen catastrofes en gigantische omwentelingen; om het potentieel dat in deze moderniteit aanwezig is te actualiseren. Bovendien eist de moderniteit van ons dat we denken voor onszelf, dat wil zeggen ons niet laten gidsen door dogma’s of voorgekauwde antwoorden. Binnen de moderniteit ligt alles open.

Beeld: Wassily Kandinsky, Jaune Rouge Bleu, 1925 via Wikimedia Commons

Onze kritiek op de klassieke moderniteit van Kant, Hegel of Marx wordt dan een kritiek op een bepaalde uiting van de moderniteit, niet diens verwerping tout court. Kritiek op instrumentele rationaliteit, vervreemding, uitbuiting, kapitalisme en destructie van de natuur wordt dan niet geuit van buiten de moderniteit, maar binnen de moderniteit. Het punt, aldus Berman, is niet om buiten de moderniteit te geraken, maar om zich er doorheen te bewegen, hoe gevaarlijk dit pad ook moge zijn. Mocht de essentie van de moderniteit zich uiten in de meest compacte vorm mogelijk, dan zou deze klinken als wat Mark Fisher een paar jaren geleden schreef: ‘New articulations can always be created. No-one is essentially anything.’

De constructie van de toekomst

Onze hedendaagse tijd wordt gekenmerkt door wat Gramsci het ‘interregnum’ noemt. De financiële crisis en diens uitlopers hebben brandhout gemaakt van gevestigde noties over geld, economie, kapitalisme. Dit betekent dat het ideologische veld op unieke wijze opnieuw open ligt voor de positionering van een contra-hegemonisch discours. Vandaag kan opnieuw worden bepaald hoe vrijheid en zelfbeschikking er concreet uit zullen zien; hoe we op innovatieve wijze democratische beslissingsvorming weer centraal kunnen zetten; hoe we ervoor kunnen zorgen dat technologische ontwikkelingen zoals de verspreiding van sociale media, biotechnologie of de opkomende platformeconomie ten goede kunnen worden ingezet.

Het is aan ons om te bepalen hoe moderniteit en zijn universele idealen worden ingevuld. Al de rest is capitulatie.

Moderniteit nodigt uit om als uitdaging te worden opgevat. Geen enkele sociale, politieke of economische constructie ligt ooit vast. Innovatieve wijzen om de wereld vorm te geven liggen altijd open. Dit vereist een geëngageerde houding ten opzichte van iedere vorm die kennis kan opleveren. Voor zij die een progressieve moderniteit in het leven willen roepen betekent dit onder andere een her-engagement met een domein dat zij jarenlang heeft verwaarloosd: dat van de economie. De kritiek dat economische wetenschap vandaag weinig meer is dan een veredelde denktank voor het liberalisme vergeet dat degelijke economische theorie een onontbeerlijk instrument is voor de constructie van een meer emancipatoire samenleving. De intellectuele wapens moeten worden gesmeed binnen de economische theorie; kritiek op zich kan nooit meer worden dan een eloquente vorm van kapitalistisch realisme.

Vandaag betekent een filosofie van gelatenheid, het loslaten en het exclusief particuliere vooral de bekentenis van een progressieve impotentie ten opzichte van de globale hegemonie van kapitaal en het neoliberalisme. Opnieuw vat krijgen op onze hedendaagse conditie is de belangrijkste opdracht denkbaar. ‘The future needs to be constructed.’ Deze uitspraak getuigt van een moderniteit doordrongen van postmoderne inzichten. Het is aan ons om te bepalen hoe moderniteit en zijn universele idealen worden ingevuld. Al de rest is capitulatie.

  1. Marshall Berman, All that is solid melts into air: The experience of Modernity (London: Verso, 2010 [1982]), p. 345.
Lorenzo Buti
Lorenzo Buti is mede-oprichter van Mondig. Hij is master in de economie aan de KU Leuven en master in de Europese studies aan de London School of Economics. Hij werkt in het academiejaar 2017-2018 een master in de wijsbegeerte (KU Leuven) af.