Mijn huisgenootjes zijn Afghaanse vluchtelingen

Sinds een paar maanden wonen Ruth-Marie Henckes en haar vriend samen in een huis met twee Afghaanse vluchtelingen. De stad en het OCMW Antwerpen organiseren zo’n cohousingproject, CURANT, om de integratie van jonge vluchtelingen, ontheemd van hun ouders, te versterken. Voor Mondig deelt Ruth-Marie, master in de Internationale politiek, haar ervaringen.

Huisje, tuintje, boompje, feestje. Het was echt spannend, de week voor mijn vriend en ik eindelijk gingen samenwonen. Niet omdat ik bang was voor zijn nare kantjes, maar omdat ik ingepakt stond zonder enig idee waar ik een week later zou uitpakken, en vooral, met wie ik een thuis zou delen. Het voelde alsof we met CURANT aan een groot avontuur begonnen.

CURANT: ‘Cohousing and case management for Unaccompanied young adult Refugees in ANTwerp’ (Foto: woninggezocht.be)

CURANT is een Antwerps samenhuisproject waarin alleenstaande minderjarige vluchtelingen onder één dak belanden met Vlaamse twintigers (‘buddies’ in CURANT-taal). Gedurende dat jaar genieten beiden van een betaalbare woning die voor hen uitgezocht wordt door het OCMW, en wordt de nieuwkomer intensief begeleid in het ‘zelfstandig worden’. Zo overbrug je samen de moeilijke periode van het achttien jaar worden, waarin opeens alle ondersteuning voor de vluchteling wegvalt. Daar hadden we dus voor getekend: een soort cultuuroverschrijdende Blind getrouwd met een vluchteling.

Dat klinkt zo avontuurlijk dat het haast een anticlimax was toen onze nieuwe huisgenoten echt bijzonder normaal bleken te zijn. Normale 18-jarige dudes, zoals ik ze wel eens liefkozend noem, die net als Vlaamse 18-jarigen hun weg zoeken in deze verwarrende maatschappij en onderweg vergeten te stofzuigen. Gewone gasten die graag voetballen, lekker eten en hele nachten gieren om domme filmpjes met vrienden. Studenten die ‘s maandags moeilijk uit hun bed geraken, maar wel trots hun rapport tonen op kerst. 18-jarigen die een bijzonder ongewoon pad achter zich hebben, maar in het huishouden en dagelijks samenleven vooral gewone 18-jarige jongens zijn. Net zoals ze in Afghanistan gewone jongens waren.

Vluchteling of gewone dude?

Er zit zoveel meer in die jongens dan dat sensationele vluchtverhaal waar iedere Vlaming naar snakt – het enige onderwerp waarvoor we hen overigens een podium geven.

Dat zij dan altijd naar hun legale status gereduceerd worden, is mijn grote frustratie. Ik besef goed dat hun vlucht een extreem ingrijpende belevenis is, maar nu ik samenwoon met twee vluchtelingen zie ik meer dan ooit dat ze zoveel meer zijn dan dat. Er zitten zoveel meer talenten, dromen en kwaliteiten in die jongens dan enkel dat sensationele vluchtverhaal waar iedere Vlaming naar snakt – het enige onderwerp waarvoor we die mensen overigens graag een podium geven. CURANT deelt die mening en noemt hen liever ‘nieuwkomers’, maar er blijft wel dat onderscheid tussen wij en zij. Het feit dat we begeleid worden in het samenwonen, knaagt een beetje aan me. Ik heb al met veel meer mensen een huis gedeeld en ben nooit begeleid geweest. Huishoudelijke taken en regels stellen zijn dan ook het hoofdthema wanneer de discussie echt op gang komt tijdens de begeleidingssessies voor de buddies. Maar dat zijn zo’n über-mondaine zaken dat het haast absurd is dat we daarover moeten discussiëren. ‘Hoe ga je dat dan aanpakken, hem te vertellen dat hij de olie niet meer in de gootsteen mag gooien?’

Niet alles loopt altijd van een leien dakje in het huis, dat zal ik zeker toegeven, maar dan gaat het vooral over huishoudelijke zaken waarmee zij andere gewoonten hebben – geen culturele verschillen zo inherent aan ‘de vluchteling’. Zo wordt er gefrituurd in de wokpan, wordt de waterkoker ook de theekan (en smaakt mijn couscous bijgevolg naar rozenbottel) en gebeurt sorteren pas wanneer de blauwe mandarijnenschil verstuift tussen mijn vingers, terwijl ik hem van het pmd naar het gft verplaats. Maar heb ik begeleiding nodig om hen daarover aan te spreken?

De tragedie is dat we hen cementeren in de rol van de andere door die begeleiding, wat net rechtlijnig ingaat tegen het hele doel van het project, namelijk integratie. Alsof ‘wij’ alle huishoudelijke taken hetzelfde doen. Het blijft een wij-zij verhaal, hoe hard de organisatie dat ook probeert te overbruggen. Zo doen ze bijvoorbeeld echt hun best om gezamenlijke activiteiten te organiseren, maar blijft het erg moeilijk om nieuwkomers en buddies samen te krijgen. Op het 1-jaar-CURANTfeest waren er bijvoorbeeld voornamelijk buddies aanwezig, en ook ik kon mijn huisgenoten niet overtuigen om mee te komen. Toen ik het erover had met een andere buddy, vertelde ze me stilletjes de reactie van haar huisgenoot toen ze vroeg of hij mee kwam: ‘Ik zit niet in de zoo, hé.’ Auwtch. Kijken wij zó naar hen, als een exotische bezienswaardigheid? De vluchteling, nu te aanschouwen in zijn natuurlijke habitat. De hele bedoeling van de organisatie en haar deelnemers is om die wij-zij kloof te overbruggen, en tóch zijn het net die brugbouwactiviteiten die hen zo anders doen voelen. En doorheen dit hele artikel beschrijf ik ‘nieuwkomers’ ook nog alsof ze een homogene groep zijn zonder persoonlijke identiteit… Wat een mindfuck! Wat moet ik hier nu mee?

Ruth-Marie Henckes

Ik schrik er zelf een beetje van, wat ik hier allemaal neerpen. Ben ik nu toch niet zo enthousiast als ik denk? Vast wel, maar het is een project in ontwikkeling. Al doende leert men. De organisatie en mensen achter CURANT zijn zich helemaal bewust van de problemen en werken net heel hard om die barrières te overkomen. Zo wordt er gevoetbald op het volgende CURANTevenement – meer in de comfortzone van 18-jarige jongens dan een praatfeest met taart en kaarsjes. Misschien is dat zoo-gevoel ook wel een projectie van die ene jongen gebaseerd op de algemene (wel zeer ambigue) houding in het westen tegenover vluchtelingen. En om die maatschappelijke kloof en onbegrip om te keren heb je net projecten als deze nodig!

Samen op zoek naar een middenweg

Ik benadruk altijd heel erg hoe normaal het is, maar ik kijk natuurlijk vanuit mijn utopische bril, die vooral een prachtige multiculturele samenleving wil zien. Hand in hand, oog in oog, regenboog! Ik kan niet ontkennen dat verschillen in taal en achtergrond wel bestaan, en dat ze zowel mooie als moeilijke kanten hebben. We kunnen goed genoeg met elkaar communiceren om elkaar te plagen, maar diepere gesprekken zijn wat moeilijker. Ik spreek Dari-woorden en -namen standaard verkeerd uit. Een ‘kotavond’ plannen is ook al niet zo evident, met de constante toeloop van bezoek en het gebrek aan agenda’s. Maar één van de mooie dingen van deze verschillen vind ik dat ik er veel over mezelf van leer, bijvoorbeeld over mijn individualisme. Hun eindeloze gastvrijheid en vrijgevigheid zouden een voorbeeld moeten zijn voor die sombere in zichzelf gekeerde Vlamingen.

Samen films kijken? Maar welke film? Een film zonder seks of geweld, begin maar eens te zoeken.

Na vier maanden samenwonen, loopt het nu eindelijk wat los in huis. Het is namelijk niet zo dat je van de ene op de andere dag beste vrienden bent. De ongemakkelijke stiltes van in het begin hebben plaatsgemaakt voor ongeforceerde small talk terwijl we samen koken of een kopje thee drinken. Ik durf hen nu eindelijk aan te spreken over huishoudelijke en persoonlijke zaken zonder angst dat ik de sfeer ga verpesten. Wat ik wel jammer vind, is dat het gezamenlijke leven zich tot het huis beperkt, want activiteiten vinden buitenshuis blijkt niet zo evident te zijn. Wat doe je zo samen? Op café, dacht ik eerst, maar toen we ons aan een plakkerig tafeltje in de Korsakov gezet hadden, besefte ik pas hoe Vlaams dat van mij was. Van zijn gezicht kon ik meteen lezen dat een ruimte vol luidruchtige halfdronken mensen niet echt comfortabel is voor een jonge moslim als hem, die niet drinkt, noch vloeiend Antwaarpse dronkenmanspraat spreekt. Samen films kijken dan? Maar welke film? De traumapsycholoog had ons gewaarschuwd triggers als geweld te vermijden. Seks-scènes wou ik dan weer vermijden, omdat ik dacht dat dat hen wel eens ongemakkelijk zou kunnen maken. In Afghanistan is onze woonsituatie door mijn burgerlijke staat op z’n minst al erg edgy. En ook al heb ik nog geen spanningen ondervonden, wou ik die ook niet gaan creëren door samen naakte vrouwen in volle glorie te bekijken. Een film zonder seks of geweld, begin maar eens te zoeken.

Mijn multiculturele utopie is dus nog niet volbracht in ons huis. We zoeken nog naar een middenweg tussen Afghaanse en Vlaamse gewoontes, en tussen samenwonen en samenleven. We zijn dan ook nog maar net begonnen. Ook al is het allemaal echt bijzonder normaal, het blijft toch een beetje spannend om te zien wat de komende acht maanden ons zullen brengen.

Ruth-Marie Henckes
Ruth-Marie Henckes is master in de Internationale politiek, gespecialiseerd in Centraal- en Oost-Afrikaanse politiek en democratie. Momenteel baant ze zich een weg in de bubbel van de democratie- en mensenrechten-NGO's in Brussel, die bij de Europese instellingen lobbyen voor een rechtvaardigere wereld.