Het mondige manifest

De Oude Kant zegt: ‘Verlichting is het uittreden uit de onmondigheid.’ Durf vertrouwen op je eigen verstand, laat anderen niet voor jou denken. Laat je niet leiden door de wanen van de tijd. Hier gaat het om het moedige spreken. Dat wil zeggen: mondigheid is een kwestie van moed en wie onmondig is, is onmoedig evenzeer. Mensen zijn gehecht aan onmondige gemakzucht – je moet van de Oude niet te veel mededogen verwachten.

Vrijmoedig spreken krijgt haar waarheid, net dankzij die moed. Dat wisten de Grieken. Er bestaat zoiets als vals-vrijmoedig spreken. Retoriek: jezelf presenteren alsof je riskant spreekt, maar in werkelijkheid niet meer dan allemans-gemeenplaatsen verkondigen. De 21ste eeuw machinaliseert de vrije meningsuiting tot een eeuwige reproductie van clichés.

Mondigheid is altijd subversief. Als mondigheid dient om te bevestigen wat al voor waar wordt aangenomen, als het nazeggerij is; wat is er dan vrijmoedig, wat dan mondig aan? Wij hebben niets met conservatisme. Wat valt er overigens nog te conserveren? Het kapitaal heeft al wat premodern was ten diepste gemuteerd. Met de moderniteit moeten we het doen en die neemt een razende vaart. Waar we belanden is van weinig belang. De mondigheid is het experiment van de maat: breng het eigen denken en de tijd onder kritiek.

Verlichting is geen optelling van eigenschappen die een historische periode uitmaken, het is een attitude. Foucault gaat door: de attitude van de moderniteit. Verlichting is een levenshouding van moed in denken en spreken, die permanent geactiveerd moet worden in het leven van alledag. Wij gaan niet ten onder; niet aan de gemeenplaatsen die ons verstand verstarren, niet aan de zelfverklaarde autoriteiten die als metastases uitzetten.

Illustratie: Pjotr Hubin

Helaas, het leven is zand in onze moderne handen. De passiviteit van de middelmatige, dat is het ware verborgen gesternte van ieder mens – gevangen in de technologie van de 21ste eeuw, de hyperproductiviteit waarin we geen mens meer herkennen. We worden gestaag hopeloos. Maar we zijn hopeloos omdat we onmondig zijn. En andersom: hoe hopelozer, hoe onmondiger.

Een hele generatie gaat verloren omdat ze denkt dat ze niets vertegenwoordigt.

Dat het rechtvaardiger is om het woord te laten aan wie een identiteit uitdrukt. Zo is het kapitalisme erin geslaagd om het politieke speelveld op te knippen tot een concurrentiemarkt van identiteiten. Een verdeeldere en machtelozere oppositie is onmogelijk. De vervreemdende almacht van een knettergekke economie heeft het nog nooit zo zoet gehad. Ze dijt uit met een snelheid nog groter dan die van het heelal. De enige volmaakt totalitaire maatschappij is die waar alle utopieën uit verdwenen zijn.

In het kort: mondig is het forum voor de utopie. En door te denken als utopie zal mondig zelf utopie worden.

Het is onze ongenaakbare hoop dat er over alle identiteiten meer is wat ons verenigt dan wat ons verdeelt. Ten lange laatste zijn we allemaal verworpenen op aard. De mondigheid terugwinnen is de hoop terugwinnen. En we vertegenwoordigen tenminste dit: het visioen van een toekomst waarin het experiment van de verlichting, de tot wasdom gekomen mondigheid, welig kan tieren.